ECLI:NL:RVS:2015:1284
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Weigering verklaring omtrent gedrag voor chauffeurskaart na zedendelict
De staatssecretaris weigerde op 10 maart 2014 de aanvraag van appellant voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart vanwege een eerdere veroordeling voor mensenhandel, een zedendelict. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze weigering, maar zowel de rechtbank als de Raad van State verklaarden het beroep ongegrond.
De beoordeling van de VOG-aanvraag vond plaats aan de hand van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013, waarbij een terugkijktermijn van vijf jaar geldt voor de taxibranche. Voor zedendelicten geldt geen termijnbeperking. De staatssecretaris concludeerde dat het objectieve criterium voor weigering was vervuld vanwege de aard van het zedendelict en de gezagsrelatie inherent aan de functie van taxichauffeur.
Appellant voerde aan dat hij sinds 1999 niet meer met justitie in aanraking was geweest en dat de weigering disproportioneel was gezien zijn maatschappelijke functioneren en eerdere afgifte van een VOG voor pakketvervoer. De Raad van State oordeelde dat de ernst van het delict en de terugkijktermijn van twintig jaar voor zedendelicten een doorslaggevende rol spelen en dat het belang van appellant niet opweegt tegen het maatschappelijke belang van bescherming.
De Raad van State bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG voor de chauffeurskaart vanwege het zedendelict en acht de weigering niet evident disproportioneel.