ECLI:NL:RVS:2015:1281
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing voorrangsverklaring wegens eigen schuld bij onderhuur
Appellant heeft een aanvraag voor een voorrangsverklaring ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, welke op 22 mei 2014 werd afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 23 juli 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel in haar uitspraak van 22 augustus 2014. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het college voerde aan dat appellant geen belang meer had omdat zij inmiddels in Delft verblijft en mogelijk in aanmerking komt voor een voorrangsverklaring aldaar. De Afdeling oordeelde echter dat het procesbelang niet was komen te vervallen omdat appellant nog steeds in de daklozenopvang verbleef en nog geen voorrangsverklaring had.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 31 van Pro de Regionale Huisvestingsverordening stadsgewest Haaglanden 2012 en de Uitvoeringsregels voorrangsbepaling 2014. Het college stelde dat appellant door het zonder toestemming onderhuren van een woning zelf verantwoordelijk was voor haar problematische woonsituatie en daarom niet in aanmerking kwam voor een voorrangsverklaring.
De rechtbank vond deze uitleg niet onredelijk en verwierp het betoog van appellant dat paragraaf 2.4 van de Uitvoeringsregels niet op haar situatie van toepassing was. De Afdeling bevestigde dit oordeel en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de voorrangsverklaring wordt bevestigd.