ECLI:NL:RVS:2015:1254
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in zaak verblijfsvergunning asiel na verlening vergunning
Bij besluiten van 11 maart 2013 wees de staatssecretaris aanvragen van vreemdeling 1 en haar minderjarige kind (vreemdeling 2) om wijziging en verlening van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd af. De rechtbank vernietigde dit besluit deels en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen op het bezwaar van vreemdeling 2.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl vreemdeling 1 incidenteel hoger beroep instelde. Tijdens de procedure verleende de staatssecretaris op 7 januari 2015 verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd aan vreemdeling 1 en haar minderjarige kinderen, waardoor zij nu rechtmatig verblijf hebben.
De Afdeling overwoog dat het incidenteel hoger beroep van vreemdeling 1 daarmee haar doel heeft bereikt en zij geen belang meer heeft bij de beoordeling ervan. Ook het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk, omdat het oordeel van de rechtbank over de belangen van vreemdeling 2 en de motivering van het besluit geen betekenis meer heeft nu de verblijfsvergunningen asiel zijn verleend.
De Afdeling benadrukt dat toekomstig belang bij toetsing aan het recht pas ontstaat bij intrekking of afwijzing van verlenging van de verblijfsvergunningen. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep worden daarom niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris en het incidenteel hoger beroep van vreemdeling 1 worden niet-ontvankelijk verklaard.