ECLI:NL:RVS:2015:1250
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen met matiging wegens verminderde verwijtbaarheid
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellant sub 2 een boete van €16.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellant sub 2 maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant matigde vervolgens de boete tot €8.000 wegens onder meer het vertrouwen van appellant op zijn accountant en de Belastingdienst en zijn financiële situatie.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging, terwijl appellant sub 2 incidenteel hoger beroep instelde tegen het oorspronkelijke boetebesluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant sub 2 weliswaar in verminderde mate verwijtbaar handelde, maar dat de matiging van 50% door de rechtbank te hoog was. De Afdeling matigde daarom de boete tot €12.000, een reductie van 25%.
De Afdeling overwoog dat appellant sub 2 voldoende medewerking had verleend aan het onderzoek, dat de vreemdelingen rechtmatig verbleven en dat geen sprake was van uitbuiting. Financiële omstandigheden rechtvaardigden geen verdere matiging. De uitspraak van de rechtbank werd voor zover het boetebedrag betrof vernietigd en de boete werd door de Afdeling zelf vastgesteld op €12.000.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €12.000 met een matiging van 25% wegens verminderde verwijtbaarheid.