ECLI:NL:RVS:2015:124
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergunning bedrijfsloods wegens niet-gebruik binnen termijn
Het college van burgemeester en wethouders heeft op 15 april 2013 besloten de vergunning voor de bedrijfsloods, verleend aan appellant, gedeeltelijk in te trekken wegens het niet binnen de wettelijke termijn starten van de bouwwerkzaamheden. De vergunning voor de bedrijfswoning bleef ongewijzigd.
Appellant voerde aan dat de bedrijfswoning nog niet gereed was en dat de bouw van de loods pas mocht beginnen na voltooiing van de woning. De rechtbank oordeelde echter dat de bouw van de bedrijfswoning en de bedrijfsloods niet afhankelijk van elkaar waren en dat het college bevoegd was tot gedeeltelijke intrekking van de vergunning.
Verder stelde appellant dat bijzondere omstandigheden, zoals de status van het perceel als transformatielocatie en onzekerheid over de toekomstige bestemming, het niet starten van de bouw rechtvaardigden. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden dat het college in redelijkheid het belang van het tegengaan van ongebruikte vergunningen mocht meewegen en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de vergunning binnen korte termijn zou benutten.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning voor de bedrijfsloods bevestigd.