ECLI:NL:RVS:2015:1185
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- C.J. Borman
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid CBP en prioritering handhaving bij verwerking persoonsgegevens door buitenlandse verantwoordelijke
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) wees het verzoek van appellanten af om onderzoek te doen naar vermeende overtredingen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) door een in de Verenigde Staten gevestigde verzekeringsmaatschappij en haar ingeschakelde recherchebureaus. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten deels gegrond en vernietigde het besluit van het CBP, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling onderzocht de bevoegdheid van het CBP op grond van de Privacyrichtlijn en de Wbp, waarbij werd vastgesteld dat het CBP bevoegd is voor verwerkingen door Nederlandse vestigingen en voor verwerkingen door verantwoordelijken zonder EU-vestiging indien gebruik wordt gemaakt van middelen in Nederland. De Afdeling concludeerde dat het CBP niet bevoegd is voor verwerkingen door de buiten de EU gevestigde verantwoordelijke zelf, maar stelde vragen over de uitleg van het begrip 'gebruik maken van middelen in Nederland' bij opdracht aan een binnen de EU gevestigd recherchebureau.
Daarnaast onderzocht de Afdeling de prioritering van handhaving door het CBP, waarbij het CBP het verzoek afwees omdat niet werd voldaan aan cumulatieve criteria voor prioriteitstelling in de Beleidsregels. De Afdeling vroeg zich af of deze prioritering, die individuele klachten vrijwel uitsluit, verenigbaar is met de verplichtingen uit de Privacyrichtlijn inzake effectieve rechtsbescherming.
De Afdeling legt deze prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en schorst de behandeling van het hoger beroep totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep is geschorst en prejudiciële vragen zijn voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.