ECLI:NL:RVS:2015:1137
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: onrechtmatigheid en opheffing maatregel
Bij besluit van 10 februari 2015 werd de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De Raad van State stelde vast dat sinds 9 december 2014 het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt, waardoor de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig was.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en aan de vreemdeling werd een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens het ontbreken van uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend.