ECLI:NL:RVS:2015:1104
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen uitzonderlijke situatie voor asielaanvragen uit oost-Oekraïne in 2014
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 3 juli 2014 aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde deze beroepen gegrond en vernietigde de besluiten, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zich in juli 2014 in de regio Donetsk een uitzonderlijke situatie voordeed zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000. Hoewel het geweld in het oosten van Oekraïne was toegenomen en willekeurige burgerslachtoffers veroorzaakte, was het conflict beperkt tot bepaalde gebieden en richtte het geweld zich vooral op specifieke groepen.
De Raad oordeelde dat de staatssecretaris zijn standpunt deugdelijk had gemotiveerd en dat de vreemdelingen niet hadden aangetoond dat zij aanspraak konden maken op bescherming op grond van die uitzonderlijke situatie. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 april 2015.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.