ECLI:NL:RVS:2015:1082
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen met matiging boete
De minister legde een boete van €8.000 op aan een vennootschap wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning (twv). De vennootschap stelde dat de vreemdeling op grond van internationale besluiten en eerdere legale arbeid recht had op voortzetting zonder twv. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de vennootschap ging in hoger beroep.
De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de vennootschap onvoldoende had aangetoond dat de vreemdeling een jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever had verricht, zoals vereist voor het recht op verlenging van de arbeidsvergunning. Daarnaast werd geoordeeld dat de standstill-bepalingen van de associatieovereenkomst met Turkije niet werden geschonden, omdat de vergunningplicht ook voor mondelinge arbeidsovereenkomsten reeds bestond.
Wel werd vastgesteld dat de vennootschap te goeder trouw had gehandeld en dat sprake was van een onvoorziene situatie, waardoor de verwijtbaarheid van de overtreding verminderd was. Daarom matigde de Afdeling de boete met 25% tot €6.000. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het bezwaar van de vennootschap gegrond verklaard en het boetebesluit herroepen. De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt gematigd tot €6.000 en het boetebesluit wordt herroepen.