ECLI:NL:RVS:2015:1068
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ouderbijdrage voor plaatsing jeugdige in residentiële voorziening
Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) legde appellant een ouderbijdrage van €129,06 per maand op vanwege de plaatsing van zijn zoon in een residentiële voorziening vanaf 21 december 2012. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de moeder van zijn zoon de ouderbijdrage moest betalen omdat de zoon vanaf 15 november 2012 tot haar huishouden behoorde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overwoog dat op grond van artikel 72 van Pro de Wet op de jeugdzorg (Wjz) de ouder die onmiddellijk voorafgaand aan de plaatsing aanspraak op kinderbijslag heeft, de ouderbijdrage verschuldigd is. Uit de gegevens bleek dat appellant op de eerste dag van het laatste kwartaal van 2012 recht had op kinderbijslag en dat zijn zoon tot zijn huishouden behoorde.
Het betoog van appellant dat de moeder de ouderbijdrage zou moeten betalen, faalde omdat de wetgever het criterium van het huishouden en kinderbijslag hanteert en niet verwijtbaarheid of feitelijke verzorging. De Raad van State zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellant terecht is aangesproken voor de ouderbijdrage wegens de plaatsing van zijn zoon in een residentiële voorziening.