ECLI:NL:RVS:2015:1023
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.C. Kranenburg
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek vergoeding materiële schade door intrekking verblijfsvergunning
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin zijn beroep tegen de afwijzing van een verzoek om vergoeding van materiële schade wegens intrekking van zijn verblijfsvergunning ongegrond werd verklaard.
De staatssecretaris had het verzoek afgewezen op grond van het ontbreken van het relativiteitsvereiste, het ontbreken van oorzakelijk verband tussen de schade en de gebeurtenis, en het niet aantonen van de schade. Tevens werd gesteld dat appellant niet schadebeperkend had gehandeld, aangezien hij de mogelijkheid had om via een sticker in zijn paspoort te kunnen aantonen dat hij mocht werken.
Appellant voerde aan dat zijn verblijfsrecht onterecht was ingetrokken, waardoor hij jarenlang niet kon werken en voor zijn gezin kon zorgen, en dat zijn partner ernstige ziekte had gekregen door de stress. De Afdeling oordeelde dat het relativiteitsvereiste niet was geschonden, maar dat appellant de schade niet aan de staatssecretaris kon toerekenen omdat hij niet had geprobeerd de schade te beperken door gebruik te maken van de sticker.
Verder werd een nieuw betoog van appellant over het ontbreken van een verblijfsdocument buiten beschouwing gelaten omdat de grondslag van het verzoek niet gewijzigd kon worden in hoger beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.