201306783/1/A2.
Datum uitspraak: 19 maart 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Belastingdienst/Toeslagen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juli 2013 in zaak nr. 13/1210 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2011 op nihil vastgesteld en een bedrag van € 777,00 aan reeds betaalde voorschotten teruggevorderd.
Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 juli 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 januari 2013 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, aldaar werkzaam, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag, zoals deze wet luidde ten tijde van belang, is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de draagkracht.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, wordt ter bepaling van de draagkracht het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en zijn partner in aanmerking genomen.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, is het toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, wordt verstaan onder inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).
Ingevolge artikel 21, aanhef en onder e, van de Awr is het inkomensgegeven, indien over een kalenderjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen.
2. De rechtbank heeft overwogen dat een uitkering uit een levensverzekering niet per definitie een inkomensbestanddeel is als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Awr en dat de Belastingdienst/Toeslagen niet heeft gemotiveerd waarom deze uitkering tot het toetsingsinkomen van [wederpartij] behoort.
3. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200909278/1/H2, gehouden is het door de inspecteur vastgestelde inkomen te volgen.
3.1. Dit betoog slaagt. Deze rechtspraak houdt ook na de invoering per 1 januari 2009 van de basisregistratie inkomen, als bedoeld in artikel 21a van de Awr, haar gelding. Ter bepaling van de draagkracht, waarvan het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is, dient ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van die wet alsmede met artikel 21, aanhef en onder e, van de Awr, het verzamelinkomen, zoals in de aanslag inkomstenbelasting is opgenomen, in aanmerking te worden genomen. Dit verzamelinkomen is voor de Belastingdienst/Toeslagen kenbaar uit de basisregistratie inkomen, met de uitvoering waarvan de inspecteur is belast. De Belastingdienst/Toeslagen is bij de bepaling van de draagkracht gehouden deze registratie te volgen, hetgeen hij hier ook heeft gedaan, en is niet bevoegd daarin wijzigingen aan te brengen. Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen ook, met toepassing van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, van het horen in bezwaar mogen afzien.
Voorzover het bezwaar van [wederpartij] zich richtte tegen het inkomensgegeven, had de Belastingdienst/Toeslagen dit ingevolge artikel 21j, tweede lid, van de Awr door dienen te zenden aan de inspecteur. Dit dient hij, indien dit nog niet is gebeurd, alsnog te doen. Indien de inspecteur het inkomensgegeven aanpast, zal de zorgtoeslag ingevolge artikel 20 van de Awir zo nodig worden herzien.
4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 januari 2013 alsnog ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juli 2013 in zaak nr. 13/1210;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena w.g. Dallinga
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014
18-809.