ECLI:NL:RVS:2014:926
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na toetsing mvv-vereiste en gezinsleven
De minister voor Immigratie en Asiel wees een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet eerst had beoordeeld of de vreemdeling in aanmerking kwam voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Dit is een noodzakelijke stap voorafgaand aan de beoordeling van schrijnende omstandigheden. De aanvraag van de vreemdeling dateerde van na 18 maart 2005, waardoor het mvv-vereiste van toepassing is.
In de belangenafweging over het recht op gezinsleven werd vastgesteld dat het gezinsleven bestond, maar dat het ontstaan ervan terwijl de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had, van belang is. De staatssecretaris had alle relevante feiten betrokken en een 'fair balance' gevonden tussen het belang van de vreemdeling en het Nederlandse toelatingsbeleid. De vreemdeling kon niet aantonen dat zij niet naar Kenia kon reizen voor een mvv-aanvraag. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.