ECLI:NL:RVS:2014:922
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bescherming in Azerbeidzjan
De vreemdeling had bij de staatssecretaris een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 27 november 2012 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat hij vanwege bedreigingen van het Ministerie van Nationale Veiligheid in Azerbeidzjan geen effectieve bescherming kan krijgen van de autoriteiten, mede onderbouwd met een ambtsbericht van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. De staatssecretaris had aangenomen dat in Azerbeidzjan in het algemeen bescherming wordt geboden en dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het vragen om bescherming voor hem gevaarlijk of zinloos zou zijn.
De Raad van State oordeelde echter dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat bescherming vragen bij de rechterlijke instanties of de ombudsman gevaarlijk of zinloos is, mede gelet op de invloed van de hoogste autoriteiten en corruptie in politiek gevoelige zaken. De voorbeelden van amnestieverlening door de president boden geen adequate bescherming tegen de bedreigingen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.461,00.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.