AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en verwijzing beroep inreisverbod
Bij besluit van 7 december 2012 wees de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, weigerde ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning en droeg hem op Nederland binnen vier weken te verlaten. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bij besluit van 26 juli 2013 vaardigde de staatssecretaris tevens een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen ook beroep in bij de rechtbank, dat vervolgens naar de Afdeling werd doorgezonden. De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling geen belang had bij de beoordeling van het hoger beroep tegen het oorspronkelijke besluit, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Afdeling besloot het beroep tegen het inreisverbod ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, te verwijzen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, op 10 maart 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod is naar de rechtbank verwezen.
Uitspraak
201300535/1/V2.
Datum uitspraak: 10 maart 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 januari 2013 in zaken nrs. 12/38478 en 12/38479 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 januari 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Bij besluit van 26 juli 2013 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Het hiertegen door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep heeft de rechtbank doorgezonden naar de Afdeling. Het beroepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Aan het bij besluit van 26 juli 2013 uitgevaardigde inreisverbod zijn de in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Het besluit van 26 juli 2013 moet, gelet op artikel 6:24 vanPro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, worden geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Aanleiding bestaat om het van rechtswege gegenereerde beroep inclusief de door de vreemdeling ingediende beroepsgronden krachtens artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb, ter behandeling en beslissing naar de rechtbank te verwijzen. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 volgt dat de rechtbank hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, moet beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn beroep tegen het inreisverbod.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verwijst het beroep tegen het besluit van 26 juli 2013 ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van staat.