ECLI:NL:RVS:2014:900
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt gelijk in hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning
De vreemdeling had bij brief van 26 april 2012 een verzoek tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning ingediend, waarop de staatssecretaris op 19 juli 2012 reageerde met een brief waarin werd medegedeeld geen aanleiding te zien om terug te komen op een eerdere afwijzing van een verblijfsvergunning. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar van de vreemdeling tegen deze beslissing niet-ontvankelijk, waarna de rechtbank dit bezwaar ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de brief van 19 juli 2012 wel als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moest worden aangemerkt, omdat het een publiekrechtelijke rechtshandeling betrof met rechtsgevolgen. De rechtbank had dit echter niet zo beoordeeld, mede omdat de brief was beantwoord op verzoek van de koning, die geen bestuursorgaan is.
De Raad van State oordeelde dat de brief van de staatssecretaris wel degelijk een besluit is, omdat deze in eigen functie en hoedanigheid van bevoegd bewindspersoon is gegeven en gericht is op rechtsgevolg. Het feit dat de juiste procedure voor het aanvragen van een verblijfsvergunning niet was gevolgd, doet hieraan niet af, temeer daar de staatssecretaris geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid de aanvraag buiten behandeling te stellen volgens artikel 4:5 Awb Pro.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.