ECLI:NL:RVS:2014:9
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 wegens ontbreken kostenbewijs
In deze zaak heeft de Belastingdienst bij besluit van 9 maart 2011 het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2010 aan appellant op nihil vastgesteld, omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Appellant had op 31 december 2009 aan de Belastingdienst gemeld geen aanspraak meer te willen maken op kinderopvangtoeslag per 1 januari 2010, maar diende pas op 12 oktober 2010 een aanvraag in voor toeslag.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant tegen de weigering van de toeslag ongegrond. Appellant stelde dat hij met de overgelegde stukken en toelichting voldoende had aangetoond dat hij kosten had gemaakt, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dit onvoldoende was. Het niet kunnen voldoen van rekeningen aan het gastouderbureau vanwege het ontbreken van een voorschot leidt niet tot een ander oordeel.
De Afdeling benadrukte dat op grond van de Wet kinderopvang en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag moet aantonen dat hij kosten heeft gemaakt en de hoogte daarvan. Omdat appellant pas laat een aanvraag indiende en eerder had aangegeven geen aanspraak te willen maken, mocht de Belastingdienst het ontbreken van voorschot over de periode tot de aanvraag voor zijn rekening laten. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 bevestigd.