ECLI:NL:RVS:2014:863
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.M.A. Koster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kindgebonden budget wegens niet-rechtmatig verblijf
Appellant vroeg een kindgebonden budget aan voor 2012, maar de Belastingdienst wees dit af vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland, zoals vereist volgens de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet op het kindgebonden budget. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het koppelingsbeginsel, dat recht op uitkeringen koppelt aan rechtmatig verblijf, een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt. Hoewel het EVRM en het non-discriminatiebeginsel bescherming bieden, zijn de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals traumatische ervaringen en armoede van zijn kinderen, niet uitzonderlijk genoeg om het koppelingsbeginsel buiten toepassing te laten.
Verder werd geoordeeld dat de belangen van de kinderen voldoende zijn meegewogen door de Belastingdienst en dat het Verdrag inzake de rechten van het kind geen directe toepassing vindt om het besluit te wijzigen. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het kindgebonden budget bevestigd.