ECLI:NL:RVS:2014:840
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na ongeldigverklaring rijbewijs door CBR
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde het rijbewijs van appellant ongeldig krachtens artikel 134, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Appellant verzocht om schadevergoeding wegens de ongeldigverklaring, maar het CBR wees dit verzoek af omdat appellant geen bewijs van daadwerkelijke schade had overgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellant stelde dat het evident is dat schade ontstaat door het niet kunnen gebruiken van een rijbewijs en verwees naar een forfaitaire vergoeding zoals bedoeld in artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, welke echter alleen geldt bij strafrechtelijke invordering.
De Raad van State oordeelde dat artikel 164, negende lid, niet van toepassing is op de ongeldigverklaring van het rijbewijs, omdat deze maatregel geen strafrechtelijke sanctie betreft. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden die een vergoeding rechtvaardigt. Ook de overgelegde stukken over een vermeende inkomensachteruitgang werden niet als voldoende bewijs beschouwd.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het schadevergoedingsverzoek bevestigd.