ECLI:NL:RVS:2014:718
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens risico genitale verminking
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gegrond verklaarde. De rechtbank had het besluit van 11 mei 2012 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en bevestigt het beoordelingskader dat geldt bij besluiten van gelijke strekking. Voor de minderjarige kinderen van de vreemdeling is dit beoordelingskader niet van toepassing omdat het besluit over hen niet van gelijke strekking is met het eerdere besluit. De Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte het gehele besluit over de vreemdeling vernietigde, omdat de geboorte van haar dochter en de vrees voor genitale verminking geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormen.
Voor de kinderen oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht het besluit vernietigde wegens strijd met de Awb, omdat de staatssecretaris niet heeft onderzocht of zij zelfstandig aanspraak kunnen maken op een verblijfsvergunning asiel. De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat het beroep van de vreemdeling gegrond verklaart en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond voor zover het haar betreft. De rest van de uitspraak wordt bevestigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond voor zover op haar betrekking hebbend, en het besluit over de kinderen vernietigd.