ECLI:NL:RVS:2014:699
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 7 november 2013 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter had dit besluit vernietigd, maar de staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 niet deugdelijk had gemotiveerd. Hoewel de vreemdeling via Griekenland en Italië is gereisd en zijn vingerafdrukken in het Eurodac-systeem zijn opgenomen, heeft hij geen afdoende verklaring gegeven voor het ontbreken van reisdocumenten die hij van de autoriteiten aldaar zou hebben ontvangen.
Verder is het beroep van de vreemdeling op zijn asielrelaas onvoldoende aannemelijk gemaakt. De algemene stukken die hij aanvoert doen niet af aan de last die op hem rust om zijn individuele situatie aannemelijk te maken. Ook het beroep op het UNHCR-rapport over jonge mannen die mogelijk risico lopen vanwege deelname aan strijd is niet voldoende, omdat het risico beperkt is tot specifieke gebieden en de vreemdeling niet heeft gesteld dat hij naar die gebieden zou moeten terugkeren.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel blijft in stand.