ECLI:NL:RVS:2014:650

Raad van State

Datum uitspraak
26 februari 2014
Publicatiedatum
26 februari 2014
Zaaknummer
201305478/1/A4
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.H. van Kreveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatwerkvoorschriften geluid bij inrichting te De Lier

Het college van burgemeester en wethouders van Westland stelde op 8 oktober 2012 maatwerkvoorschriften vast voor een inrichting te De Lier op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat het akoestisch rapport niet representatief was, dat een maatwerkvoorschrift onvoldoende duidelijk was en dat het college niet handhavend optrad tegen geluidhinder.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bezwaren tegen het akoestisch rapport niet tijdig en adequaat waren aangevoerd en daarom buiten beschouwing moesten blijven. Het college had beleidsvrijheid bij het stellen van maatwerkvoorschriften en het maatwerkvoorschrift betreffende het parkeren van gekoelde vrachtwagens was voldoende duidelijk, mede doordat ter zitting een situatietekening werd getoond.

Het betoog over het niet reageren op een handhavingsverzoek was niet gericht tegen de aangevallen uitspraak en faalde. Het college had bovendien aangegeven het verzoek in behandeling te hebben genomen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201305478/1/A4.
Datum uitspraak: 26 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend te De Lier, gemeente Westland,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013 in zaak nr. 12/10669 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland.
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft het college op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (thans: Activiteitenbesluit milieubeheer) maatwerkvoorschriften gesteld voor de inrichting van [vergunninghouder] aan de [locatie] te De Lier.
Bij uitspraak van 17 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2014, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J. Zwiers, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Hoeben, R. van Weerd en E. Pardon, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de rekenresultaten in het akoestisch rapport van Adromi B.V. van 1 augustus 2011, met kenmerk S201005, versie 03 (hierna: het akoestisch rapport) niet representatief zijn. In dit verband voeren zij aan dat de vrachtwagens met draaiende koelmotoren op plekken dichterbij de woningen van derden staan dan volgens dat rapport, dat in het rapport is uitgegaan van een te klein aantal vrachtwagens en dat op het terrein van de inrichting ook vrachtwagens van anderen staan waarmee in het rapport evenmin rekening is gehouden.
1.1. Het college heeft het akoestisch rapport betrokken bij het nemen van het besluit van 8 oktober 2012. Op basis van dit rapport concludeert het college dat de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie aan de geluidnormen uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer kan voldoen. [appellant A] en [appellant B] hebben de resultaten van het akoestisch rapport in beroep niet bestreden. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet al voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellant A] en [appellant B] dat uit een oogpunt van een zorgvuldig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.
2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat een van de gestelde maatwerkvoorschriften niet voldoende duidelijk is. Volgens hen had daarom een nader maatwerkvoorschrift moeten worden gesteld waarin wordt vastgelegd dat vrachtwagens alleen elektrisch mogen worden opgesteld op de locaties B24 en B25 op het terrein van de inrichting.
2.1. Ingevolge artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.
2.2. Het college heeft beleidsvrijheid bij de beslissing om maatwerkvoorschriften te stellen. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft het college een zekere beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.
Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft het college bepaald dat binnen de inrichting onder meer de volgende gedragsregel in acht moet worden genomen: vrachtwagens met een lading die gekoeld moet worden, mogen uitsluitend op het terreindeel zover mogelijk van woningen geparkeerd worden.
2.3. Ter zitting is, mede aan de hand van een getoonde situatietekening, gebleken dat duidelijk is dat het onder 2.2 vermelde maatwerkvoorschrift ziet op de locaties B24 en B25 op het terrein van de inrichting.
Het betoog faalt
3. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat het college niet heeft gereageerd op hun verzoek om handhavend op te treden tegen geluidhinder in de nachtperiode, richt zich niet tegen de aangevallen uitspraak en kan reeds daarom niet slagen. Overigens heeft het college ter zitting gesteld dat het handhavingsverzoek van [appellant A] en [appellant B] van 8 januari 2014 inmiddels in behandeling is genomen.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.
w.g. Van Kreveld w.g. De Jong
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014
628.