ECLI:NL:RVS:2014:648
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep tegen afwijzing verzoek uitzetting achterwege te laten
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die het beroep van een vreemdeling tegen een afwijzing van zijn verzoek om uitzetting achterwege te laten gegrond had verklaard.
De minister had het verzoek van de vreemdeling op 15 juni 2012 afgewezen en het bezwaar op 2 oktober 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen, maar de Raad van State oordeelt dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld over de motivering van het besluit en de rol van het Bureau Medische Advisering (BMA).
De Raad stelt dat het BMA-advies voldoende zorgvuldig en inzichtelijk was en dat de brief van de behandelaar uit 2011 geen concrete onderbouwing gaf die het BMA had moeten meenemen. Ook oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. Het hoger beroep wordt daarom gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot uitzetting wordt ongegrond verklaard.