ECLI:NL:RVS:2014:579
Raad van State
- Hoger beroep
- S.F.M. Wortmann
- W. Sorgdrager
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake ontheffing ijzer- en metaalhandel op gezoneerd industrieterrein
Het college van burgemeester en wethouders van Enschede verleende op 22 september 2010 ontheffing voor het realiseren van een ijzer- en metaalhandel op een perceel te Enschede, gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Tegen dit besluit maakte [appellante] bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Overijssel vernietigde het besluit van 25 juli 2011, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Hiertegen stelde [appellante] hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de brief van het college van 24 juli 2012 een nieuw besluit inhoudt en dat de rechtbank ten onrechte niet op het beroep tegen dit besluit heeft beslist. De Afdeling beoordeelt het beroep tegen het besluit van 24 juli 2012 en verklaart het beroep ongegrond.
De Afdeling stelt vast dat de ijzer- en metaalhandel op het perceel niet valt binnen de toegestane categorieën van het bestemmingsplan, maar dat het college bevoegd was ontheffing te verlenen voor een bedrijf één categorie hoger dan toegestaan, omdat het bedrijf als categorie 4-bedrijf werd aangemerkt en niet als een overslagbedrijf (categorie 5).
Daarnaast oordeelt de Afdeling dat het college terecht de geluidbelasting heeft beoordeeld aan de hand van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en dat de geluidbelasting van maximaal 70 dB(A) niet wordt overschreden. De bezwaren van [appellante] tegen de geluidmetingen en de afstandsberekeningen worden verworpen.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 25 juli 2011 in stand zijn gelaten, verklaart het hoger beroep gegrond en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 25 juli 2011 in stand zijn gelaten, en het beroep tegen het besluit van 24 juli 2012 ongegrond verklaard.