ECLI:NL:RVS:2014:520
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 24 september 2012 de aanvragen van vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat op 20 november 2012 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State toetste of bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro een fair balance was gevonden tussen het belang van de vreemdelingen en het Nederlandse toelatingsbeleid. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister het vereiste van 'more than the normal emotional ties' niet mocht betrekken en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.
De Raad stelde vast dat de minister het gezinsleven en de sterkte van de gezinsband wel degelijk had betrokken bij zijn belangenafweging en dat het geheel van feiten geen aanleiding gaf om het besluit als strijdig met artikel 8 EVRM Pro te beschouwen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.