ECLI:NL:RVS:2014:492
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak en in stand laten rechtsgevolgen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 27 november 2013 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de aangevoerde gronden in het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de voorzieningenrechter konden leiden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak.
De vreemdeling stelde dat hij vanwege zijn doop in Nederland in Afghanistan een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De staatssecretaris betwistte dit, onder meer omdat de verklaringen van de vreemdeling onvoldoende objectief waren en niet aannemelijk werd gemaakt dat hij in Afghanistan als christen bekend zou zijn.
De Raad concludeerde dat de vreemdeling het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro niet aannemelijk had gemaakt. Daarom bepaalde de Raad dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en laat de rechtsgevolgen van het afwijzingsbesluit verblijfsvergunning asiel in stand.