ECLI:NL:RVS:2014:4761
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan Italië op grond van Dublinverordening
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij tijdens de procedure aan Italië zou worden overgedragen.
De vreemdeling voerde aan dat de staatssecretaris niet correct had gehandeld volgens artikel 3.118a van het Vreemdelingenbesluit 2000 en dat het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur waren geschonden doordat hij werd overgedragen terwijl anderen met een vergelijkbaar reisverhaal dat niet werden. Tevens klaagde hij over trage informatievoorziening waardoor hij niet tijdig de Italiaanse autoriteiten kon benaderen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de Dublinverordening de lidstaten de bevoegdheid geeft om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is en dat de vreemdeling hier geen subjectieve rechten aan kan ontlenen. Het gelijkheidsbeginsel vereist een consistent bestuursbeleid, hetgeen de staatssecretaris voldoende had toegelicht. De overdracht aan Italië was daarom rechtmatig en de voorlopige voorziening werd afgewezen.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €487,00 aan de vreemdeling. De uitspraak werd op 24 december 2014 openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter G. van der Wiel.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Italië wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.