ECLI:NL:RVS:2014:4680

Raad van State

Datum uitspraak
18 december 2014
Publicatiedatum
24 december 2014
Zaaknummer
201401734/1/V3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:71 AwbArt. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over rechtsbescherming vreemdeling bij uitzettingsopdracht

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gaf op 19 november 2013 een opdracht aan de vreemdeling om Nederland onmiddellijk te verlaten. De vreemdeling was reeds in 2007 ongewenst verklaard en een terugkeerbesluit was onherroepelijk. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van de vreemdeling tegen deze opdracht en stelde dat de vreemdeling uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kon instellen.

De staatssecretaris ging tegen deze uitspraak in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de opdracht geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en evenmin gelijkgesteld kan worden aan een beschikking. De rechtbank was daarom terecht onbevoegd verklaard. Echter, de Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat artikel 8:71 Awb Pro van toepassing was en dat de vreemdeling alleen bij de burgerlijke rechter rechtsbescherming kon zoeken.

De Raad benadrukte dat bij een daadwerkelijke uitzetting naar China de vreemdeling via de vreemdelingenrechter kan aanvoeren dat artikel 3 EVRM Pro zich tegen uitzetting verzet, waardoor voldoende rechtsbescherming bestaat. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd voor zover deze de exclusieve bevoegdheid van de burgerlijke rechter vermeldt, en voor het overige bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het oordeel dat de vreemdeling uitsluitend bij de burgerlijke rechter rechtsbescherming kan zoeken wordt vernietigd.

Uitspraak

201401734/1/V3.
Datum uitspraak: 18 december 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, van 21 februari 2014 in zaak nr. 13/29587 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij brief van 19 november 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: de opdracht). Deze brief is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 februari 2014 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen en vermeld dat de vreemdeling ingevolge artikel 8:71 van Pro de Awb uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorgangers.
2. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft de staatssecretaris de vreemdeling ongewenst verklaard. Vaststaat dat dit besluit ook een terugkeerbesluit inhoudt. De staatssecretaris heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet naar haar land van herkomst, China, zal worden uitgezet, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar dat land een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Het terugkeerbesluit van 20 maart 2007 staat in rechte vast.
De brief van de staatssecretaris van 19 november 2013 behelst de opdracht. In die brief heeft de staatssecretaris het standpunt ingenomen dat artikel 3 van Pro het EVRM zich niet langer tegen de uitzetting van de vreemdeling naar China verzet.
3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de opdracht geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en evenmin kan worden aangemerkt als een handeling die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 van laatstgenoemde wet met een beschikking wordt gelijkgesteld. Volgens de rechtbank is zij onbevoegd om van het door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen. In de omstandigheden van dit geval kan de vreemdeling uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter instellen, aldus de rechtbank.
4. Hetgeen de staatssecretaris in de punten 2.1, 2.3, 3.10 tot en met 3.14 en 3.18 tot en met 3.30 van zijn hogerberoepschrift aanvoert, kan, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2014 in zaak nr. 201303504/2/V1, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
5. De staatssecretaris klaagt in punt 2.2 van zijn hogerberoepschrift dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling in de omstandigheden van dit geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen.
Daartoe voert de staatssecretaris onder meer aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat moet worden voorkomen dat de burgerlijke rechter zich in een geval als dit genoodzaakt voelt om aanvullende rechtsbescherming te bieden.
5.1. Uit overweging 4. volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de opdracht geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en evenmin kan worden aangemerkt als een handeling die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 van laatstgenoemde wet met een beschikking wordt gelijkgesteld. Uit overweging 4. volgt evenzeer dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard van het door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen.
5.2. Het voorgaande betekent evenwel niet dat het bepaalde in artikel 8:71 van Pro de Awb van toepassing is. Bij een eventuele daadwerkelijke uitzetting naar China, die zich thans niet voordoet, kan de vreemdeling immers bij de vreemdelingenrechter aan de orde stellen dat artikel 3 van Pro het EVRM zich tegen haar uitzetting verzet. Aldus biedt de Vw 2000 voor de vreemdeling afdoende rechtsbescherming. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt reeds hierom. Hetgeen de staatssecretaris overigens aanvoert, behoeft geen bespreking.
6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarin heeft vermeld dat de vreemdeling ingevolge artikel 8:71 van Pro de Awb uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen.
De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 21 februari 2014 in zaak nr. 13/29587, voor zover zij daarin heeft vermeld dat de vreemdeling ingevolge artikel 8:71 van Pro de Awb uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Waasdorp
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014
714.