ECLI:NL:RVS:2014:4680
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over rechtsbescherming vreemdeling bij uitzettingsopdracht
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gaf op 19 november 2013 een opdracht aan de vreemdeling om Nederland onmiddellijk te verlaten. De vreemdeling was reeds in 2007 ongewenst verklaard en een terugkeerbesluit was onherroepelijk. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van de vreemdeling tegen deze opdracht en stelde dat de vreemdeling uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kon instellen.
De staatssecretaris ging tegen deze uitspraak in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de opdracht geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en evenmin gelijkgesteld kan worden aan een beschikking. De rechtbank was daarom terecht onbevoegd verklaard. Echter, de Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat artikel 8:71 Awb Pro van toepassing was en dat de vreemdeling alleen bij de burgerlijke rechter rechtsbescherming kon zoeken.
De Raad benadrukte dat bij een daadwerkelijke uitzetting naar China de vreemdeling via de vreemdelingenrechter kan aanvoeren dat artikel 3 EVRM Pro zich tegen uitzetting verzet, waardoor voldoende rechtsbescherming bestaat. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd voor zover deze de exclusieve bevoegdheid van de burgerlijke rechter vermeldt, en voor het overige bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het oordeel dat de vreemdeling uitsluitend bij de burgerlijke rechter rechtsbescherming kan zoeken wordt vernietigd.