ECLI:NL:RVS:2014:4656
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en vermindering boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen bij ter beschikking stellen arbeidskrachten
De minister legde aan [appellante] een boete op van €1.288.000 wegens 161 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na gedeeltelijke herziening bleef een boete van €856.000 overeind voor 107 overtredingen. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond.
In hoger beroep stelde de Raad van State vast dat de minister onvoldoende inzichtelijk had gemaakt op welke vreemdelingen en locaties de boete betrekking had voor 91 vreemdelingen, waardoor die boete ten onrechte was opgelegd. Voor de overige 16 vreemdelingen bij twee bedrijven was de boete terecht opgelegd omdat sprake was van het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten zonder tewerkstellingsvergunning.
De Afdeling oordeelde dat de verplaatsing van de werknemers het doel van de dienstverlening vormde en dat zij onder toezicht en leiding van de inlenende ondernemingen werkten. Het beroep werd gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en de boete vastgesteld op €125.500, verminderd met €2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €125.500 en het hoger beroep van [appellante] wordt gegrond verklaard.