ECLI:NL:RVS:2014:457
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat feitelijke gezinsband bij vertrek uit Somalië niet aannemelijk is gemaakt in mvv-procedure
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 14 november 2011 de aanvragen van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdelingen ten tijde van het vertrek van de referent uit Somalië feitelijk tot zijn gezin behoorden. De rechtbank oordeelde dat het besluit van de minister ondeugdelijk was gemotiveerd omdat niet was ingegaan op de vraag of de gezinsband verbroken kon worden. De Afdeling oordeelde echter dat de minister het beleid uit de Vreemdelingencirculaire correct had toegepast door te toetsen of de vreemdelingen feitelijk tot het gezin behoorden op het moment van vertrek uit Somalië.
De vreemdelingen stelden dat tegenstrijdigheden in hun verklaringen verklaard konden worden door culturele verschillen en opleidingsniveau, maar de Afdeling vond dat de minister terecht twijfelde aan de feitelijke gezinsband vanwege tegenstrijdigheden over essentiële punten zoals beroep van de referent, geboortedata van de kinderen en familiegegevens. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister wordt bevestigd.