ECLI:NL:RVS:2014:4565
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening kinderopvangtoeslag en voorschotten door Belastingdienst
Bij besluiten van september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag en voorschotten van appellanten sub 1, 2 en 3 over de jaren 2008, 2009 en 2010 herzien en grotendeels op nihil gesteld. De appellanten maakten bezwaar, dat deels werd afgewezen en deels gegrond verklaard, waarna zij in beroep gingen bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten sub 1 en 2 niet-ontvankelijk en wees het beroep van appellant sub 3 af.
De appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State. Appellant sub 3 trok het hoger beroep in na een nieuwe herziening van de toeslag door de Belastingdienst, die een hogere toeslag vaststelde. De Raad van State veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant sub 3.
De Raad van State oordeelde dat appellanten sub 1 en 2 onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de kinderopvang via een overeenkomst met een geregistreerd gastouderbureau had plaatsgevonden en dat zij de kosten daadwerkelijk hadden betaald. De tegenstrijdigheden in de overgelegde stukken en het ontbreken van betaalbewijzen leidden tot de conclusie dat geen aanspraak op toeslag bestond. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde. Het verzoek tot proceskostenvergoeding werd afgewezen wegens niet-tijdige indiening.
De hoger beroepen van appellanten sub 1 en 2 werden ongegrond verklaard, terwijl appellant sub 3 werd tegemoetgekomen. De Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van appellant sub 3.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten sub 1 en 2 wordt ongegrond verklaard en appellant sub 3 wordt tegemoetgekomen met proceskostenvergoeding.