ECLI:NL:RVS:2014:4557
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking verblijfsrecht op humanitaire gronden
Bij besluiten van 13 september 2012 heeft de minister vastgesteld dat vreemdeling 1 geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer heeft en is het document ingenomen, terwijl de verblijfsvergunning van vreemdeling 2 is ingetrokken. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de besluiten, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De staatssecretaris voerde aan dat medische omstandigheden van vreemdeling 1 geen klemmende humanitaire redenen zijn zoals bedoeld in artikel 8.15, vierde lid, onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000, en dat het verblijfsrecht alleen behouden kan worden in zeer bijzondere omstandigheden binnen de relatie met een EU-burger. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de nationale regeling ruimere humanitaire gronden kent dan de richtlijn en dat ernstige medische omstandigheden hieronder kunnen vallen.
De rechtbank had terecht geoordeeld dat de medische omstandigheden van vreemdeling 1 klemmende redenen van humanitaire aard zijn die het behoud van het verblijfsrecht rechtvaardigen. Ook het standpunt dat het verblijfsrecht van vreemdeling 2 afhankelijk is van dat van vreemdeling 1 werd verworpen. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €974 en tot betaling van griffierecht van €493. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 9 december 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.