AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vaststelling bestemmingsplan Middelharnis
De raad van de gemeente Goeree-Overflakkee stelde op 25 april 2013 het bestemmingsplan "Middelharnis" vast. Appellante, gevestigd te Middelharnis, stelde beroep in tegen dit besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 7 februari 2014.
Uit de procedure blijkt dat het ontwerpbestemmingsplan van 3 december 2012 zes weken ter inzage lag, waarbij belanghebbenden zienswijzen konden indienen tot 14 januari 2013. Appellante heeft geen zienswijze ingediend binnen deze termijn. Volgens de Awb kan beroep alleen worden ingesteld door belanghebbenden die tijdig een zienswijze hebben ingediend, tenzij dit redelijkerwijs niet verweten kan worden.
De Afdeling oordeelde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet kon worden verweten geen zienswijze in te dienen. Bovendien was het bouwvlak op het perceel van appellante niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd niet inhoudelijk op de zaak ingegaan. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Middelharnis is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van een zienswijze.
Uitspraak
201306420/1/R4.
Datum uitspraak: 12 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te Middelharnis,
en
de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Middelharnis" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door J. Moelker en T.J. van Rossum, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.
2. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 3 december 2012 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 14 januari 2013.
[appellante] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.
Ingevolge artikel 8:1 vanPro de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 vanPro de Awb en artikel 2 vanPro bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 vanPro de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.
Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.
Hiervan is de Afdeling niet gebleken. De Afdeling stelt vast dat het vastgestelde plan, voor zover het betreft het bouwvlak op het perceel van [appellante], niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. De e-mail van 23 juni 2013, deze dateert daarmee van na de vaststelling van het bestreden besluit, van een ambtenaar van de gemeente aan de advocaat van [appellante] maakt dit niet anders, omdat [appellante] reeds in het ontwerpplan had kunnen vaststellen dat de realisatie van het door hem beoogde bouwplan niet mogelijk zou zijn en daarover een zienswijze naar voren had kunnen brengen. Gezien het vorenstaande komt de Afdeling aan een inhoudelijke behandeling en daarmee de vraag omtrent hetgeen de raad heeft beoogd, wat daar verder ook van zij, niet toe.
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.