ECLI:NL:RVS:2014:4466
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering zorgtoeslag wegens niet-rechtmatig verblijf partner
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om haar zorgtoeslag over 2010 definitief op nihil vast te stellen en de reeds betaalde voorschotten terug te vorderen. Dit besluit was eerder door de rechtbank Amsterdam bevestigd.
Appellante voerde aan dat het terugvorderen van de toeslag in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro, mede gelezen in samenhang met artikel 8 EVRM Pro, omdat haar partner geen profijt zou hebben van de toeslag en zij afhankelijk is van een laag inkomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de wettelijke regeling (artikel 9, tweede lid, Awir) een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft en dat het onderscheid tussen rechtmatig en niet-rechtmatig verblijf geen ongerechtvaardigde discriminatie vormt.
De Afdeling oordeelde dat de omstandigheden van appellante niet zodanig bijzonder zijn dat het terugvorderen van de toeslag disproportioneel is. Ook is de toeslag een gezinsaanspraak en geen individuele uitkering. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van de zorgtoeslag bevestigd.