ECLI:NL:RVS:2014:4391
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen machtiging tot binnentreden door burgemeester
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die zijn beroep tegen een machtiging tot binnentreden door de burgemeester ongegrond verklaarde. De burgemeester had op 7 januari 2013 een machtiging tot binnentreden afgegeven en het bezwaar van appellant daarop niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende was.
Appellant stelde dat hij bijzondere omstandigheden had, omdat hij de woning had geërfd en deze aan het opknappen was om er zelf te gaan wonen, en dat de burgemeester hiervan op de hoogte was. De Raad van State overwoog dat het grondrecht op onschendbaarheid van de woning alleen aan de bewoner toekomt en dat de belangen van derden, zoals eigenaren die niet bewoner zijn, in beginsel niet rechtstreeks bij de machtiging betrokken zijn.
Omdat appellant de woning niet bewoonde op het moment van de machtiging en de genoemde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormden die hem gelijkstelden aan een bewoner, was hij geen belanghebbende. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 3 december 2014 door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd omdat appellant geen belanghebbende is bij de machtiging tot binnentreden.