ECLI:NL:RVS:2014:4298
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging locatieaanduiding ondergrondse restafvalcontainers in Duindorp wegens onvoldoende motivering
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde op 24 juni 2014 een plaatsingsplan vast voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) in de wijk Duindorp. Eén locatie, 100-10C, werd uitgebreid van drie naar vier containers, terwijl locatie 100-11 verviel. Appellant stelde beroep in tegen deze wijziging en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 14 oktober 2014 en besloot onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het college had bij de locatiekeuze randvoorwaarden gehanteerd, waaronder een maximale loopafstand van 75 meter tot de container, met een mogelijke uitloop tot 125 meter onder bijzondere omstandigheden.
De Raad van State oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom locatie 100-11 verviel en waarom locatie 100-10C werd uitgebreid, terwijl voor een deel van de bewoners de maximale loopafstand werd overschreden zonder bijzondere omstandigheden. Dit leidde tot strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het de locatie 100-10C betreft. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en het griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit over locatie 100-10C voor ondergrondse restafvalcontainers wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.