ECLI:NL:RVS:2014:4249
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.J.J. van Buuren
- W.D.M. van Diepenbeek
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing handhaving ontgrondingsvergunning en last onder dwangsom
Het geschil betreft handhaving van voorschriften uit een ontgrondingsvergunning voor een zandwinplas, waarbij het college van gedeputeerde staten een last onder dwangsom heeft opgelegd aan appellante sub 2 wegens het niet conform de vergunning aanleggen van taluds.
Appellante sub 2 betoogt dat de vergunning voor deel B medio 2009 is geëxpireerd en dat het college niet langer bevoegd was tot handhaving na afloop van de nazorgperiode in april 2012. De Afdeling oordeelt dat de nazorgverplichting voortvloeit uit voorschrift 18 en niet vervalt met de vergunning, waardoor het college bevoegd was tot handhaving binnen de nazorgperiode.
Subsidiair stelt appellante sub 2 dat handhaving onevenredig is vanwege de stabiele situatie en de belangen van omwonenden. De Afdeling stelt dat het college terecht gedeeltelijke handhaving heeft toegepast, mede gelet op een rapport van Fugro Geoservices dat aanvullende maatregelen voor stabiliteit vereist. Het beroep slaagt echter voor het onderdeel rietaanplant nabij dwarsprofiel 500, omdat deze reeds heeft plaatsgevonden.
Het beroep van het college van burgemeester en wethouders en appellant sub 3 wordt ongegrond verklaard, onder meer omdat de dwarsprofielen zijn vastgesteld met het oog op veiligheid en stabiliteit en niet op toekomstig recreatief gebruik. De Afdeling veroordeelt het college van gedeputeerde staten tot vergoeding van proceskosten aan appellante sub 2.
Uitkomst: Het beroep van appellante sub 2 wordt gegrond verklaard en het besluit over de last onder dwangsom voor rietaanplant wordt vernietigd; de beroepen van het college van burgemeester en wethouders en appellant sub 3 worden ongegrond verklaard.