ECLI:NL:RVS:2014:4111
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Somalië
De vreemdeling werd op 28 september 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof het zicht op uitzetting naar Somalië binnen een redelijke termijn. De vreemdeling stelde dat sinds december 2013 geen gedwongen uitzettingen meer naar Somalië plaatsvonden en dat de gesprekken tussen de Nederlandse staatssecretaris en Somalische autoriteiten nog niet hadden geleid tot afspraken over hervatting van gedwongen terugkeer. Hierdoor ontbrak het zicht op uitzetting.
De Raad van State oordeelde dat met ingang van 7 oktober 2014 het zicht op uitzetting naar Somalië binnen een redelijke termijn ontbrak, waardoor de vreemdelingenbewaring vanaf die datum onrechtmatig was. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding toegekend over de periode vanaf 7 oktober 2014 en werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting naar Somalië binnen een redelijke termijn.