ECLI:NL:RVS:2014:4096
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid risico schending artikel 3 EVRM
De vreemdelingen hadden bij besluiten van 3 juli 2012 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister werden afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
In hoger beroep werd overwogen dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdelingen een reëel risico liepen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De staatssecretaris stelde terecht dat de rechtbank niet uitdrukkelijk had vastgesteld dat er een reëel risico bestond en dat het geschil zich niet beperkte tot de vraag of de vreemdelingen in Kirgizië bescherming konden krijgen.
De vreemdelingen overlegden een document van Kirgizische autoriteiten waaruit zou blijken dat tegen vreemdeling 1 een strafzaak liep, maar de authenticiteit van dit document werd door het Bureau Documenten betwijfeld. Een rapport van een deskundige kon deze twijfels niet wegnemen. De staatssecretaris mocht daarom aannemen dat het document niet authentiek was en dat er geen reëel risico bestond.
Verder waren de overige omstandigheden, zoals discriminatie en afpersing, onvoldoende om een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro aan te nemen. Ook het beroep op de Vreemdelingenwet 2000 faalde wegens het ontbreken van een causaal verband tussen traumatische gebeurtenissen en vertrek uit Kirgizië.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van hun verblijfsvergunning asiel blijft in stand.