ECLI:NL:RVS:2014:4073
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens hoofdverblijf buiten Nederland
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie trok met terugwerkende kracht de verblijfsvergunning van de vreemdeling in omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland zou hebben gevestigd. De vreemdeling volgde sinds september 2011 een vierjarige voltijdopleiding in Egypte. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland verbleef, wat volgens de Vreemdelingenwet 2000 reden is voor intrekking.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het volgen van een voltijdopleiding in het buitenland niet automatisch betekent dat het hoofdverblijf is verplaatst. De vreemdeling had aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de studieperioden in Egypte verbleef en de overige maanden bij zijn vader in Nederland, waardoor hij niet langer dan zes maanden aaneengesloten buiten Nederland was.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de verklaring van de vreemdeling onvoldoende was onderbouwd, maar de Raad van State vond dat de motivering van de staatssecretaris ondeugdelijk was. De eis dat een vreemdeling met enige regelmaat in Nederland terugkeert is redelijk, maar overschrijding van zes maanden zonder nadere motivering leidt niet automatisch tot verplaatsing van het hoofdverblijf.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.