201400302/1/A2.
Datum uitspraak: 12 november 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat a en b], (hierna: [appellante])
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2013 in zaken nrs. 13/2029 en 13/2033 in het geding tussen:
[appellante]
en
het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds).
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 12 en 30 november 2012 heeft het Faunafonds de onderscheiden verzoeken van [appellante] om tegemoetkomingen in faunaschade afgewezen.
Bij onderscheiden besluiten van 7 februari 2013 heeft het Faunafonds de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. W. van Dijk, werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) behoort het tot de taken van het Faunafonds om in de daarvoor in aanmerking komende gevallen tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren, behorende tot beschermde inheemse soorten, te verlenen.
Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt zodanige tegemoetkoming slechts verleend, voor zover die schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de belanghebbende behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.
Volgens artikel 7, derde lid, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds, (hierna: de Regeling) zoals deze gold ten tijde van belang, wordt een tegemoetkoming in de schade, veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid en onderdeel a en b van de Ffw, waarvoor ingevolge artikel 68 van de Ffw een ontheffing kan worden verleend, slechts toegekend indien:
a. (…);
b. de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het bestuur op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Faunafonds zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] onvoldoende adequaat gebruik heeft gemaakt van de aan hem verleende ontheffingen. Hiertoe voert [appellante] aan dat de rechtbank daarbij ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat hij bekend kon zijn met het beleid van het Faunafonds omtrent een adequaat gebruik van een ontheffing. Daarbij wijst [appellante] erop dat hij dit beleid eerst in de toelichting op de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade, gepubliceerd op 10 juni 2013, heeft kunnen terugvinden.
3. [appellante] heeft op 26 maart 2012 verzocht om een tegemoetkoming in schade die op deze dag is geconstateerd en is veroorzaakt door grauwe ganzen op een perceel met wintergraan van 12,95 hectare. Voorts heeft [appellante] op 1 april 2012 eenzelfde verzoek ingediend voor schade die op 30 maart 2012 is geconstateerd en is veroorzaakt door grauwe ganzen op een perceel met wintergraan van 15,79 hectare.
Het Faunafonds heeft beide verzoeken bij onderscheiden besluiten van 12 en 30 november 2012 afgewezen. Bij onderscheiden besluiten van 7 februari 2013 heeft het Faunafonds deze afwijzingen gehandhaafd en daarbij ten aanzien van het verzoek van 26 maart 2012 het standpunt ingenomen dat in de periode vanaf 10 november 2011 tot en met 28 maart 2012 niet of gemiddeld één keer per week van de verleende ontheffing gebruik is gemaakt. Ten aanzien van het verzoek van 1 april 2012 heeft het Faunafonds zich op het standpunt gesteld dat in de periode vanaf 7 januari 2012 tot en met 7 maart 2012 gemiddeld maar één keer per week gebruik is gemaakt van de verleende ontheffing. Ten aanzien van beide verzoeken is het Faunafonds van oordeel dat te weinig adequaat gebruik is gemaakt van de verleende ontheffingen.
3.1. Dat [appellante] eerst in de toelichting van de op 10 juni 2013 gepubliceerde Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade heeft kunnen terugvinden wat het Faunafonds onder een adequaat gebruik van een verleende ontheffing verstaat, laat onverlet dat het Faunafonds al langere tijd de vaste gedragslijn hanteert dat een zodanig gebruik inhoudt dat twee tot drie keer per week van de verleende ontheffing gebruik moet zijn gemaakt. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld uitspraken van 11 augustus 2010 in zaak nr. 201001319/1/H3 en 24 december 2013 in zaak nr. 201211009/1/A3), is de vaste gedragslijn van het Faunafonds dat een adequaat gebruik van een ontheffing inhoudt dat minstens twee tot drie keer per week verjaging met ondersteunend afschot moet plaatsvinden en een grondgebruiker alleen dan voor een tegemoetkoming in aanmerking komt indien hij de meest vergaande maatregel, te weten afschot van enkele exemplaren van de schadeveroorzakende diersoorten, heeft ingezet als maatregel om de schade te voorkomen en te beperken, niet onredelijk. Het Faunafonds kan in dit verband van de grondgebruiker vergen dat hij zelf al het mogelijke dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht moet hebben ondernomen om de schade zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Het voorgaande in aanmerking genomen, is de rechtbank terecht er vanuit gegaan dat het Faunafonds de hiervoor beschreven vaste gedragslijn in de onderhavige gevallen heeft kunnen volgen.
3.2. Voorts stelt de Afdeling vast dat [appellante] in hoger beroep niet heeft bestreden dat hij in de hiervoor onder 3 vermelde perioden op zijn percelen niet ten minste twee tot drie keer per week gebruik heeft gemaakt van de verleende ontheffingen. Gelet op het hiervoor overwogene, heeft [appellante] aldus niet al het mogelijke gedaan om schade op zijn percelen aan de wintertarwe te voorkomen of te beperken. Derhalve is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het Faunafonds zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] onvoldoende adequaat gebruik heeft gemaakt van de aan hem verleende ontheffingen.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, griffier.
w.g. Borman w.g. De Heer
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014
636.