ECLI:NL:RVS:2014:4020
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluiten van 11 juli 2013 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan verzoekster A een boete van €88.000 en aan verzoeker B een boete van €44.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na het ongegrond verklaren van bezwaren door de minister, stelde verzoekster A beroep in bij de rechtbank Oost-Brabant, die op 15 augustus 2014 het beroep van verzoekster A ongegrond verklaarde en het beroep van verzoeker B gegrond verklaarde, waarbij de boete voor verzoeker B werd herzien naar €22.000.
Tegen deze uitspraak stelden verzoekers hoger beroep in en verzochten de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening om de invordering van de boetes op te schorten. Tijdens de zitting op 29 oktober 2014 werden de verzoekers en de minister vertegenwoordigd door advocaten.
De voorzitter oordeelde dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de invordering van de boetes zou leiden tot een financiële noodsituatie. De overgelegde financiële stukken toonden geen zodanige bedrijfseconomische problemen aan. De stelling dat invordering tot ernstige liquiditeitsproblemen en mogelijk faillissement zou leiden, was onvoldoende onderbouwd.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 31 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken door voorzitter A.W.M. Bijloos.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opschorting van de boete-invordering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van financiële noodsituatie.