Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2014:3999

Raad van State

Datum uitspraak
5 november 2014
Publicatiedatum
5 november 2014
Zaaknummer
201403866/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y.E.M.A. Timmerman-Buck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbAfvalstoffenverordening 2010 gemeente Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen plaatsen grofvuil naast ondergrondse restafvalcontainers

Appellant heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen het plaatsen van grofvuil naast ondergrondse restafvalcontainers in de Symonszstraat te Scheveningen. Nadat het college niet tijdig een besluit nam, stelde appellant het college in gebreke en diende beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verwees de zaak door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit prematuur en dus niet-ontvankelijk was, omdat appellant het beroep instelde voordat de wettelijke termijn was verstreken. Het beroep tegen het besluit van 7 mei 2014, waarin het college het handhavingsverzoek afwees, werd wel ontvankelijk verklaard.

De Afdeling overwoog dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat het college ten onrechte het verzoek om handhaving had afgewezen. De foto’s die appellant overlegde, maakten niet aannemelijk dat er een overtreding had plaatsgevonden in de periode tussen het verzoek en het besluit. Bovendien wees het college erop dat sinds januari 2014 geen processen-verbaal waren opgemaakt en dat het vaak niet mogelijk was om de aanbieder van onjuist aangeboden grofvuil te achterhalen. Ook de stelling van appellant dat de gemeentelijke website bewoners onjuist zou instrueren, werd verworpen.

De Afdeling verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 7 mei 2014 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het handhavingsbesluit van 7 mei 2014 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

201403866/1/A4.
Datum uitspraak: 5 november 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
[appellant] heeft bij de rechtbank Den Haag beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het plaatsen van grofvuil naast de ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de Symonszstraat te Scheveningen. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden aan de Afdeling.
Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden afgewezen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J. van Rijn, en het college, vertegenwoordigd door A.A. de Bruyn, zijn verschenen.
Overwegingen
Reikwijdte beroep
1. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit van 7 mei 2014.
Beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit
2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. [appellant] heeft bij brief van 21 februari 2014 bij het college een verzoek om handhaving ingediend. Wegens het uitblijven van een besluit heeft hij het college bij brief, ingekomen bij het college op 22 april 2014, in gebreke gesteld. De termijn als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb liep van 23 april 2014 tot en met 6 mei 2014.
Bij brief van 6 mei 2014, bij de Afdeling op diezelfde dag ingekomen, heeft [appellant] beroep ingesteld. Op die dag was de termijn als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb nog niet verstreken. Het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is dientengevolge prematuur. Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. Reeds hierom wordt niet toegekomen aan het verzoek van [appellant] om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen.
Beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 mei 2014
3. De omstandigheid dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, doet er niet aan af dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege een beroep tegen het besluit van 7 mei 2014 is ontstaan. De ratio van de regeling inzake het bezwaar of beroep van rechtswege brengt met zich dat niet-ontvankelijkheid van het oorspronkelijke rechtsmiddel niet de niet-ontvankelijkheid meebrengt van het bezwaar of beroep van rechtswege. De ontvankelijkheid daarvan moet afzonderlijk worden beoordeeld. Een ontvankelijkheidsgebrek van het oorspronkelijke beroep werkt slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het bezwaar of beroep van rechtswege uitstrekt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012 in zaak nrs. 201110156/1/R4 en 201102331/1/R4 (www.raadvanstate.nl). In dit geval strekt de niet-ontvankelijkheid van het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zich naar zijn aard niet uit tot het beroep van rechtswege tegen het besluit van 7 mei 2014.
4. [appellant] betoogt dat het college zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het plaatsen van grofvuil naast de ORAC’s in de Symonszstraat ten onrechte heeft afgewezen. Hij stelt veel overlast te ondervinden van het grofvuil bij de ORAC’s en wijst er in dit verband op dat het grofvuil soms lange tijd blijft liggen. [appellant] stelt verder dat de gemeente bewoners ten onrechte via haar website instrueert om grofvuil bij de ORAC’s te plaatsen.
4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek om handhaving van [appellant] terecht is afgewezen. Het wijst er in dit verband op dat sinds januari 2014 geen processen-verbaal zijn opgemaakt voor het onjuist aanbieden van grofvuil. Het college wijst er verder op dat de aanbieder van onjuist aangeboden grofvuil, wegens het ontbreken van adresgegevens, niet altijd kan worden achterhaald.
4.2. Het aanbieden van grofvuil bij ORAC’s is in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag.
[appellant] heeft, naast drie foto’s, geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn betoog dat het college zijn verzoek om handhaving ten onrechte heeft afgewezen. Op één van de foto’s is het plaatsen van de ORAC’s te zien. Op de andere twee foto’s is grofvuil naast de ORAC’s te zien. [appellant] heeft met deze foto’s niet aannemelijk gemaakt dat zich in de periode tussen het verzoek om handhaving en het besluit van 7 mei 2014 een overtreding heeft voorgedaan ten aanzien waarvan het college handhavend kon optreden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat sinds januari 2014 geen processen-verbaal meer zijn opgemaakt. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college het verzoek om handhaving van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen. Overigens vermeldt de door [appellant] bedoelde website, anders dan hij stelt, dat grofvuil niet bij een afvalcontainer mag worden geplaatst en dat voor het aanbieden van grofvuil een afspraak moet worden gemaakt met de gemeente.
Het betoog faalt.
5. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 mei 2014, is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het plaatsen van grofvuil naast de ondergrondse restafvalcontainers in de Symonszstraat te Scheveningen, niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 mei 2014, kenmerk DSB/SB2014-3656, van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014
457-684.