ECLI:NL:RVS:2014:3944
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gevaar voor openbare orde ondanks integratie
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wees het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen af op grond van artikel 9 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), vanwege ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit besluit werd door de staatssecretaris bevestigd en de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant was veroordeeld voor een misdrijf, namelijk een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, waarvoor hij een geldboete van €600 en een rijontzegging van zes maanden kreeg opgelegd. De boete werd binnen de rehabilitatieperiode betaald. Appellant voerde aan dat hij volledig geïntegreerd is en dat de bijna verstreken rehabilitatieperiode en de aard van de boete bijzondere omstandigheden vormden die het beleid konden doen afwijken.
De Raad van State oordeelde dat deze omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat zij afbreuk doen aan het beleid dat naturalisatie wordt geweigerd bij ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. De hinder die appellant ondervindt door het ontbreken van een Nederlands paspoort is volgens de Raad irrelevant voor de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.