ECLI:NL:RVS:2014:394
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vestigingsalternatief in asielprocedure geweigerd na toetsing bestuursrecht
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister voor Immigratie en Asiel op 8 augustus 2011 werd afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna zowel de vreemdeling als de staatssecretaris hoger beroep instelden bij de Raad van State.
In het hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is, omdat de aangevoerde gronden geen vragen oproepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt daarentegen gegrond verklaard omdat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met het Besluit van 29 maart 2012 (WBV 2012/6) en de ambtsberichten over de Democratische Republiek Congo.
De Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en toetst het besluit van 8 augustus 2011 opnieuw. De vreemdeling stelde dat zij als alleenstaande vrouw behorend tot de Banyamulenge een reëel risico liep op seksueel geweld, maar de staatssecretaris stelde dat er geen sprake was van systematische onmenselijke behandeling van vrouwen of van een verhoogd risico voor haar specifieke groep. De Afdeling volgt de staatssecretaris en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 3 februari 2014 door voorzitter Lubberdink en leden Borman en Steendijk.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.