ECLI:NL:RVS:2014:3829
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen leges mvv wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen de hoogte van de leges voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ontvankelijk had verklaard. De minister had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaarperiode.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de termijn voor bezwaar tegen besluiten op grond van de Vreemdelingenwet 2000 vier weken bedraagt. De vreemdeling had het bezwaar pas na deze termijn ingediend. Hoewel de mvv-sticker in het paspoort geen rechtsmiddelenverwijzing bevatte en de vreemdeling niet werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, was op 26 maart 2013 een verblijfsvergunning verleend met een rechtsmiddelenverwijzing, waardoor redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de vreemdeling op de hoogte was van de bezwaarprocedure.
De Afdeling concludeerde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.