ECLI:NL:RVS:2014:3779

Raad van State

Datum uitspraak
15 oktober 2014
Publicatiedatum
22 oktober 2014
Zaaknummer
201306557/3/R1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:80b AwbArt. 8:66 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening bestemmingsplan Smakkelaarsveld

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij tussenuitspraak van 29 januari 2014 de raad van de gemeente Utrecht opgedragen binnen zestien weken de gebreken in het bestemmingsplan Smakkelaarsveld, Binnenstad, te herstellen. Tevens werd bij wijze van voorlopige voorziening het besluit geschorst voor het plandeel met de bestemming 'Gemengd'.

De raad verzocht op 11 september 2014 de voorlopige voorziening gedeeltelijk op te heffen. Tijdens de zitting van 25 september 2014 waren partijen, waaronder FGH Bank en de raad, vertegenwoordigd door hun advocaten en gemachtigden.

De voorzitter oordeelde dat op grond van artikel 8:80b, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de voorlopige voorziening vervalt zodra de bestuursrechter een uitspraak doet als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid. Omdat inmiddels in een andere zaak uitspraak was gedaan, was de voorlopige voorziening van rechtswege komen te vervallen. Daarom werd het verzoek tot opheffing afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat deze van rechtswege is vervallen.

Uitspraak

201306557/3/R1.
Datum uitspraak: 15 oktober 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
de raad van de gemeente Utrecht,
verzoeker,
om opheffing van de bij tussenuitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201306557/1/R6, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:
de naamloze vennootschap FGH Bank N.V., gevestigd te Utrecht,
en
de raad van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201306557/1/R6, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 16 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Smakkelaarsveld, Binnenstad" te herstellen. Bij wijze van voorlopige voorziening heeft de Afdeling dit besluit van de raad geschorst, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd".
Bij brief van 11 september 2014 heeft de raad de voorzitter verzocht om de getroffen voorlopige voorziening gedeeltelijk op te heffen.
De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar FGH Bank, vertegenwoordigd door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, en drs. M.J.L.M. Gubbels, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, en drs. L.L.M. Herremans, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201306557/2/R6 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling uitspraak gedaan in het beroep van FGH Bank.
2. In artikel 8:80b, vierde lid aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een in de tussenuitspraak getroffen voorlopige voorziening in ieder geval vervalt zodra de bestuursrechter uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, heeft gedaan.
3. Het voorgaande betekent dat de bij de tussenuitspraak van 29 januari 2014 getroffen voorziening van rechtswege is vervallen. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het opheffen van de voorlopige voorziening af te wijzen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014
533-739.