ECLI:NL:RVS:2014:3746

Raad van State

Datum uitspraak
9 oktober 2014
Publicatiedatum
15 oktober 2014
Zaaknummer
201405509/2/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:20 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boeteoplegging door minister

Bij besluit van 21 november 2013 legde de minister een boete van €36.000 op aan verzoekster wegens overtreding van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekster maakte bezwaar, dat door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond. Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de rechtsgevolgen van de boeteoplegging zouden worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.

De voorzitter behandelde het verzoek op 25 september 2014. Verzoekster stelde dat zij de boete niet kon betalen en dat invordering het voortbestaan van haar onderneming zou bedreigen. De minister gaf aan dat op dat moment geen invorderingsmaatregelen waren getroffen en dat er een verzoek tot betalingsregeling lag waarop nog een beslissing moest volgen.

De voorzitter oordeelde dat het verzoek het noodzakelijke spoedeisende belang ontbeerde en wees het verzoek dan ook af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 9 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de boeteoplegging wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

201405509/2/V6.
Datum uitspraak: 9 oktober 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd te [plaats], [gemeente],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 mei 2014 in zaak nr. 14/23 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2013 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 36.000,00 wegens overtreding van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Bij besluit van 8 januari 2013 (lees: 2014) heeft de minister het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 mei 2014 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
[verzoekster] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. K. Vierhout, advocaat te Haarlem, en [naam persoon], en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Farahani, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit tot het opleggen van de boete worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist. [verzoekster] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij de boete niet kan betalen en dat indien de boete hangende het hoger beroep zal worden ingevorderd, het voortbestaan van haar onderneming in gevaar zal komen.
2. De voorzitter is van oordeel dat het verzoek het voor inwilliging daarvan noodzakelijke spoedeisende belang ontbeert. De minister heeft ter zitting verklaard dat thans geen invorderingsmaatregelen jegens [verzoekster] zijn getroffen. Bovendien heeft [verzoekster] bij brief van 9 september 2014 een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling bij de minister ingediend, op welk verzoek de minister, naar hij ter zitting eveneens heeft verklaard, nog een beslissing zal nemen. Reeds hierom moet het verzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Groenendijk
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2014
164.