ECLI:NL:RVS:2014:3746
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boeteoplegging door minister
Bij besluit van 21 november 2013 legde de minister een boete van €36.000 op aan verzoekster wegens overtreding van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekster maakte bezwaar, dat door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond. Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de rechtsgevolgen van de boeteoplegging zouden worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.
De voorzitter behandelde het verzoek op 25 september 2014. Verzoekster stelde dat zij de boete niet kon betalen en dat invordering het voortbestaan van haar onderneming zou bedreigen. De minister gaf aan dat op dat moment geen invorderingsmaatregelen waren getroffen en dat er een verzoek tot betalingsregeling lag waarop nog een beslissing moest volgen.
De voorzitter oordeelde dat het verzoek het noodzakelijke spoedeisende belang ontbeerde en wees het verzoek dan ook af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 9 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de boeteoplegging wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.