ECLI:NL:RVS:2014:3711
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen zonder matiging
De minister legde appellante een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid te laten verrichten. Appellante voerde aan dat zij en het betrokken bedrijf feitelijk één onderneming vormden en dat de boete onevenredig was vanwege haar inspanningen en financiële situatie.
De rechtbank oordeelde dat het om twee afzonderlijke ondernemingen ging en wees het beroep af. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het aan appellante was om voldoende onderzoek te doen naar de vergunningplicht, wat zij niet heeft gedaan. De Raad stelt dat de boete passend is en dat onvoldoende is aangetoond dat de boete de continuïteit van de onderneming bedreigt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €8.000 wordt bevestigd.