ECLI:NL:RVS:2014:3633
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste grondslag
De vreemdelingen, bestaande uit een echtgenoot, twee biologische kinderen, een pleegdochter en een dochter uit een eerder huwelijk, hadden een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd in het kader van nareis bij hun familielid referente. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de minister ten onrechte de nareisprocedure van referente en het daarin geconstateerde misbruik als grondslag had genomen voor de afwijzing van de mvv-aanvragen. Hoewel referente een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had verkregen op basis van een uitzonderlijke situatie in Mogadishu, was het besluit op bezwaar ondeugdelijk omdat het misbruik niet had geleid tot beëindiging van haar verblijf.
Verder werd geoordeeld dat de staatssecretaris onterecht had afgezien van het horen van de vreemdelingen tijdens de bezwaarprocedure, terwijl dit volgens de Awb alleen mag indien redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het besluit. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 7 februari 2013, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.